Overzeese Rijksdelen

Het Koninkrijk der Nederlanden bezat koloniën in andere werelddelen. Dit waren Nederlands-Indië, Suriname, de kolonie Curaçao en Onderhorigheden, en kleine gebieden in West-Afrika (tot 1872). In 1922 werden alle verwijzingen naar de koloniën uit de grondwet gehaald en werd er voortaan gesproken over overzeese rijksdelen. Het nieuwe artikel 1 bepaalde voortaan dat het Koninkrijk der Nederlanden bestond uit het grondgebied van Nederland, Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao. Daarmee werd de term “Nederland” voor het eerst gebruikt voor het gebiedsdeel dat tot dan toe meestal werd aangeduid als het “(Konink)rijk in Europa”. De rijksdelen werden hiermee overigens niet gelijkwaardig. Artikel 2 van de grondwet hield de overzeese gebiedsdelen grotendeels buiten het staatsbestel (“De Grondwet is alleen voor het Rijk in Europa verbindende, voor zover niet het tegendeel daaruit blijkt”). Het gebiedsdeel Nederland werd direct door het koninkrijk bestuurd, waardoor “Nederland” en het “Koninkrijk der Nederlanden” in de dagelijkse praktijk synoniemen bleven. Het bestuur van de overzeese rijksdelen werd geregeld in drie wetten op de staatsinrichting die nog altijd veel bevoegdheden aan de gouverneur(-generaal) toekenden; de organen met een volksvertegenwoordiging karakter hadden vooral een adviesfunctie.

0

Your Cart